Eeuwenlang leeft heel Heerewaarden van de riviervisserij. Het is lange tijd de grootste riviervissersplaats van Gelderland. Er zijn op het hoogtepunt circa vijftig vissers lid van het vissersgilde. Nu is visser een uitgestorven beroep. Oorzaken: overbevissing, kanalisatie en vervuiling van de rivieren.

Vissers zetten hun netten uit, Jan van Goyen (1638). © PD
©Peter Deurloo, historicus en journalist  CC-BY-NC
bron: www.mijngelderland.nl
Vissers vlakbij Utrecht, Jan van Goyen (1640). © Rijkmuseum/PD
Verpachting van visrecht. © Provinciale Noordbrabantsche en 's Hertogenbossche courant, 28-10-1882, CC-BY
Visvangst met fuiken. Philips Galle (toegeschreven aan atelier van), naar Hans Bol, 1582 – 1633. © PD
Steurvangst © Nationaal Archief
'De rivier als afvoerput' © Arnhemse Courant, 25-1-1955, CC-BY-NC-SA
Net binnenhalen © Heidemij/Nationaal Archief
Het binnenhalen van een net © Heidemij/Nationaal Archief

Vele soorten vis

Riviervissers zijn er al zolang er rivieren bestaan. In alle dorpen langs de Maas en de Waal zijn ze actief. Maar er was één dorp dat helemaal van het vissen leefde: Heerewaarden, waar Maas en Waal bij elkaar komen. De trekvissen zwemmen vanuit zee het hele jaar door de Waal/Rijn en de Maas om in hun geboortewateren, nabij de bronnen van de rivieren kuit te schieten. Niet alleen zalm en steur, maar ook fint, elft en houting worden in groten getale gevangen. De vissers varen ook de Rijn op tot diep in Duitsland.

Vispacht

De graaf of hertog van Gelre is eigenaar van de rivier. Een deel van het viswater schenkt of verkoopt hij aan kloosters, lokale adel of steden. Of hij geeft het uit in leen. De vissers zijn in dienst bij de rechthebbenden, of pachten het recht om te vissen. Die pachtsituatie blijft zo tot in de twintigste eeuw. Het komt voor dat vissers stroomopwaarts trekken en gaan stropen in het pachtgebied van anderen. Zo is bekend dat Maas-Waalse vissers de fuiken leeghalen van vissers in Millingen aan de Rijn.

De vangst

Aanvankelijk gebeurt het vangen van grote trekvissen als zalm en steur met spiesen, harpoenen en gevlochten fuiken, al zijn netten al van ver voor het begin van de jaartelling bekend. Maar in de late middeleeuwen verandert dat. Dan komen de goedkope vlasgarens uit Vlaanderen op de Nederlandse markt. Daarvan breien de vissers grote en sterke drijfnetten, de zogeheten ‘zegen’. De vissers kunnen het groot gaan aanpakken. De bloeitijd van de riviervisserij begint. De vissers ontwikkelen diverse soorten netten: drijfnetten die over de bodem van de rivier stroomafwaarts drijven en een zalmzegen waarmee dieper kan worden gevist. Dat wordt met roeibootjes en zeilbootjes de rivier op gevaren en naar de wal getrokken door vijftien tot twintig mannen of met een paard. Ook maken ze grote fuiken (zalmfuiken) met een ingang van anderhalve tot twee meter hoog en schuttingen van wilgenhout in de rivier.

Beroep

Er zijn mensen die alleen van het vissen leven, maar vaak hebben de vissers ook een ander beroep: steenfabrieksarbeider, keuterboer, landarbeider of zelfs kruidenier. In de negentiende eeuw halen de Gelderse riviervissers (afgedankte) vissersboten uit de Zuiderzee. Vanuit dat soort boten ontwikkelen ze de zogeheten Waalschokker. In de jaren twintig zijn er twee werven die schokkers bouwen: Eltink in Beneden Leeuwen en Jansen in Druten. In 1923 is er in Heerewaarden een vloot van ruim veertig schokkers.

Stinkende vis

Kanalisatie maakt de rivieren in de twintigste eeuw steeds visonvriendelijker. Bovendien trekken de vissers door hun verbeterde vismethoden de rivieren leeg. En de rivieren zelf raken in de jaren zestig steeds erger vervuild door lozingen van industrie en schepen. Het beroep van riviervisser sterft uit doordat de vis verdwijnt. In 1600 vangen de vissers bijvoorbeeld 9.000 steuren. In 1910 zijn dat er nog 56 en in 1955 nog één. De zalm volgt eenzelfde route. In de middeleeuwen is deze vis zelfs een wettig betaalmiddel waarmee Heerewaardense schippers hun tol mogen betalen. In 1885 worden op de visafslag van het Kralingse Veer nog 104.422 zalmen aangevoerd. In 1919 is de aanvoer ingekrompen tot 11.272 stuks. In Heerewaarden worden in 1952 nog achttien zalmen gevangen, in 1957 nog negen. Ze stinken en zijn vanwege de vervuiling oneetbaar. In 1960 zijn er in Heerewaarden nog maar vijftien vissers. Ze vissen vooral nog op paling.

Bronnen en verder lezen: