Het pand is een vrijstaand woonhuis uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Het bestaat uit één bouwlaag met zolderverdieping en een plat dak met schuine dakvlakken. Het dak is gedekt met rode singels, een soort platte pannen. De gevels zijn opgetrokken in helderrode baksteen met in de voorgevel rood geglazuurde banden en een ingemetselde plint in mangaansteen.

Het woonhuis met roodglazuur. © Hans Barten
Woonhuis aan de Kattenburg. © Hans Barten

Piron

De symmetrische voorgevel heeft een iets vooruitstekende middenpartij met portiek. Deze is bekroond door een fronton met piron. Een piron is een versiering, meestal van lood. Hier is de piron van aardewerk. De verzwaarde hoeken van de daklijsten gaan met een klimmende boogfries over in de ingemetselde gevelafsluiting. Een boogfries is een reeks van aan elkaar sluitende boogjes.

Glazuur

Het portiek en de rechthoekige vensters op de begane grond en verdieping worden afgesloten door roodgeglazuurd metselwerk. De vensters zijn voorzien van schuiframen. Bij het middenraam boven het portiek valt het geglazuurde metselwerk op.

Het monument is alleen vanaf de weg te bekijken.